Het vereiste prestatieniveau (PLr) van een veiligheidsfunctie bepaal je aan de hand van een risicoanalyse op basis van de ISO 13849-1 norm. Je weegt daarbij drie factoren: de ernst van een mogelijke verwonding, hoe vaak iemand wordt blootgesteld aan het gevaar, en de mogelijkheid om het gevaar te vermijden. Samen leiden deze factoren via de risicograaf naar een PLr van a tot e. In dit artikel beantwoorden we de meest gestelde vragen over dit proces, van de risicograaf tot validatie en documentatie, zodat je als industriële veiligheidsspecialist of machineontwerper precies weet waar je aan toe bent.
Het vereiste prestatieniveau wordt bepaald door drie risicoparameters uit de ISO 13849-1 norm: de ernst van de verwonding (S), de frequentie van blootstelling aan het gevaar (F), en de mogelijkheid om het gevaar te vermijden of te beperken (P). De combinatie van deze drie parameters leidt via de risicograaf naar een PLr van a (laagste eis) tot e (hoogste eis).
Elk van deze parameters heeft twee mogelijke waarden:
Het is belangrijk om deze parameters niet te optimistisch in te schatten. De norm schrijft voor dat je uitgaat van de meest realistische situatie, niet van de best denkbare. Als een machine bij normaal gebruik regelmatig handmatige interventie vereist, valt de blootstelling al snel in categorie F2. Een te laag ingeschat PLr kan leiden tot een onveilige machine die niet voldoet aan de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen uit de Machinerichtlijn of Machineverordening.
De risicograaf van ISO 13849-1 is een beslisboom waarmee je op basis van de drie risicoparameters (S, F en P) stap voor stap naar een PLr toewerkt. Je begint bij de ernst van de verwonding en volgt de vertakkingen op basis van blootstelling en vermijdbaarheid totdat je uitkomt bij een van de vijf niveaus: PLr a, b, c, d of e.
De grafiek werkt als volgt:
Een combinatie van S2, F2 en P2 levert het hoogste vereiste prestatieniveau op: PLr e. Dit niveau stelt de zwaarste eisen aan de betrouwbaarheid en architectuur van het veiligheidssysteem. Een combinatie van S1, F1 en P1 resulteert in PLr a, waarbij de eisen aanzienlijk lager zijn.
De risicograaf is een hulpmiddel, geen absoluut recept. De norm laat ruimte voor technische beoordeling, zeker wanneer de grens tussen twee categorieën niet eenduidig is. In die gevallen is het verstandig om de keuze goed te onderbouwen en vast te leggen in de risicoanalyse.
Het vereiste prestatieniveau (PLr) is het minimaal benodigde veiligheidsniveau dat voortkomt uit de risicoanalyse. Het behaalde PL (ook wel PL genoemd zonder de r) is het daadwerkelijk gerealiseerde prestatieniveau van het ontworpen veiligheidssysteem. Om aan de norm te voldoen, moet het behaalde PL gelijk zijn aan of hoger zijn dan het PLr.
Het behaalde PL wordt bepaald door een combinatie van technische factoren van het veiligheidssysteem zelf:
In de praktijk betekent dit dat een veiligheidsfunctie met PLr d alleen aan de eis voldoet als het werkelijk ontworpen systeem, na berekening van alle bovenstaande parameters, ook daadwerkelijk PL d of hoger behaalt. Softwaretools zoals SISTEMA (van het IFA-instituut) helpen engineers bij het doorrekenen van deze waarden op basis van componentgegevens van fabrikanten.
De categorie van een veiligheidsfunctie is niet rechtstreeks gekoppeld aan het PLr, maar bepaalt wel welk PL haalbaar is. Hogere categorieën bieden meer redundantie en diagnostische mogelijkheden, waardoor hogere PL-niveaus bereikbaar worden. Een bepaald PLr vereist dus een categorie die technisch in staat is dat niveau te realiseren.
De vijf categorieën en hun kenmerken op hoofdlijnen:
Bij PLr d of e, zoals voorkomt bij veel toepassingen in de zware industrie, is een categorie 3 of 4 architectuur vrijwel altijd noodzakelijk. Het is een veelgemaakte fout om te denken dat een categorie 3 systeem automatisch PL d of e haalt: de MTTFd van de gebruikte componenten en de DCavg moeten dit ondersteunen.
Het documenteren en valideren van het prestatieniveau is een verplicht onderdeel van de conformiteitsprocedure voor machines. Je legt vast welk PLr je hebt bepaald, hoe het systeem is ontworpen om dat te bereiken, en je toont aan dat het behaalde PL daadwerkelijk aan de eis voldoet. Zonder deze documentatie is een CE-markering niet rechtsgeldig.
Een volledige documentatieset bevat minimaal:
Validatie gaat verder dan berekening alleen. De norm vereist ook dat je de veiligheidsfunctie in de praktijk test: werkt de noodstop ook bij maximale belasting? Reageert het systeem binnen de vereiste responstijd? Deze functionele tests moeten worden gedocumenteerd en bewaard als onderdeel van de technische documentatie.
Het is verstandig om de documentatie al tijdens het ontwerpproces op te bouwen in plaats van achteraf. Zo voorkom je dat berekeningen en ontwerpkeuzes niet meer overeenkomen met de uiteindelijke machine.
Het correct bepalen en documenteren van het vereiste prestatieniveau vraagt om diepgaande kennis van de ISO 13849-1 norm, de toepasselijke wetgeving en de technische realiteit van industriële omgevingen. Wij ondersteunen industriële bedrijven bij elk onderdeel van dit proces, van risicoanalyse tot validatie en het samenstellen van de technische documentatie.
Wat wij bieden:
Onze industriële veiligheidsadviseurs combineren technische diepgang met praktijkervaring in sectoren als Food, Pharma, Energy en Marine & Offshore. Wil je weten hoe wij jouw machine of installatie veilig en compliant maken? Neem contact op en we denken graag met je mee.
Ja, het PLr wordt per individuele veiligheidsfunctie bepaald, niet voor de machine als geheel. Een machine kan meerdere veiligheidsfuncties hebben — zoals een noodstop, een deurbeveiliging en een tweehands bediening — die elk een eigen risicoanalyse vereisen en daardoor tot verschillende PLr-niveaus kunnen leiden. Dit betekent ook dat de bijbehorende veiligheidsarchitectuur per functie kan verschillen. Documenteer elke veiligheidsfunctie daarom afzonderlijk in je technische documentatie.
De ISO 13849-1 norm laat bewust ruimte voor technische beoordeling in grensgevallen. Kies in twijfelgevallen altijd de meest conservatieve optie — dus de hogere categorie of de strengere parameter — en onderbouw je keuze schriftelijk in de risicoanalyse. Een goed gedocumenteerde afweging is niet alleen vereist voor CE-conformiteit, maar beschermt je ook bij een eventuele audit of incident. Schakel bij aanhoudende twijfel een onafhankelijke veiligheidsspecialist in om je redenering te toetsen.
Ja, SISTEMA is gratis beschikbaar via het Duitse IFA-instituut en wordt breed erkend als standaardtool voor PL-berekeningen conform ISO 13849-1. Het is geschikt voor de meeste industriële veiligheidssystemen, mits je beschikt over de juiste componentgegevens zoals MTTFd- of B10d-waarden van de fabrikant. Houd er rekening mee dat SISTEMA een rekentool is en geen vervanging voor een volledige risicoanalyse of functionele validatie. De uitkomst is alleen betrouwbaar als de ingevoerde componentgegevens correct en actueel zijn.
Het PL moet opnieuw worden beoordeeld bij elke significante wijziging aan de machine, de veiligheidsfunctie of de werkomgeving. Denk aan het vervangen van componenten door andere typen, het aanpassen van de machinebesturing, een verandering in gebruiksfrequentie of het toevoegen van nieuwe gevaarlijke handelingen. Ook bij het verlopen van de berekende levensduur van componenten (op basis van MTTFd of B10d) is herbeoordeling noodzakelijk. Het is verstandig om een periodieke review op te nemen in je onderhouds- en beheerprocedures.
Beide normen zijn geharmoniseerd onder de Machinerichtlijn en behandelen functionele veiligheid, maar vanuit een andere invalshoek: ISO 13849-1 is gebaseerd op de PL-methodiek en is breed toepasbaar voor mechanische, hydraulische, pneumatische en elektrische veiligheidssystemen, terwijl IEC 62061 zich richt op elektrische en elektronische systemen en werkt met het SIL-concept (Safety Integrity Level). In de praktijk wordt ISO 13849-1 vaker gebruikt bij machinebouw, maar voor complexe programmeerbare veiligheidssystemen kan IEC 62061 de betere keuze zijn. Beide normen mogen ook gecombineerd worden toegepast binnen één machine.
Een van de meest voorkomende fouten is het te optimistisch inschatten van de parameter P (vermijdbaarheid): in de praktijk is het gevaar zelden tijdig waarneembaar of vermijdbaar, waardoor P1 ten onrechte wordt gekozen. Daarnaast wordt de blootstellingsfrequentie F regelmatig onderschat, vooral bij machines die schijnbaar zelden handmatige interventie vereisen maar waarbij storingen in de praktijk vaker optreden. Een andere valkuil is het verwarren van categorie met PL: een hogere categorie garandeert niet automatisch een hoger behaald PL zonder de bijbehorende MTTFd- en DCavg-berekeningen. Zorg tot slot dat de risicoanalyse altijd de werkelijke gebruikssituatie weerspiegelt, inclusief voorzienbaar misbruik.
Voor bestaande machines die niet zijn gewijzigd geldt in principe de regelgeving van het moment van ingebruikstelling, maar bij substantiële aanpassingen wordt de machine juridisch als nieuw beschouwd en is een volledige herbeoordeling conform de huidige normen verplicht. Bovendien eist de Arbowetgeving dat werkgevers risico's op de werkvloer continu beheersen, ongeacht de leeftijd van de machine. Het is dan ook aan te raden om ook voor oudere machines een risicoanalyse uit te voeren en te beoordelen of de veiligheidsfuncties nog voldoen aan de huidige stand der techniek. Dit beschermt zowel de veiligheid van medewerkers als de juridische positie van de organisatie.